KRONIEK VOOR BEESEL, BELFELD EN SWALMEN - 1200-1299
laatst opgeslagen: zaterdag 4 januari 2025 CTRL+F =
zoeken CTRL+C = kopiëren ALT+TAB =
wisselen
© Loe Giesen, Reuver 1983-2025
te
citeren als: Giesen, Loe: Kroniek voor Beesel, Belfeld en Swalmen. Versie {datum
laatst opgeslagen} van https://www.loegiesen.nl/1200-1299%20Loe%20Giesen.htm |
periode voor 1300
z.d.,
middeleeuwen
LIMBURG - Nijverheid en handel op de
Maas in de Middeleeuwen.
De nijverheid in de Limburgse streken ten noorden van Luik was in de vroege
Middeleeuwen van weinig betekenis in dit overwegend agrarische gebied. Het
industriële centrum lag ten zuiden van Luik in plaatsen als Dinant en Huy. Voor
de handel was de streek tussen Luik en Nijmegen een doorgangsgebied. De streek
zelf had er weinig direct aandeel in. De landwegen waren zo slecht dat
handelaars en reizigers moesten uitwijken naar de waterwegen, de Maas en haar
zijrivieren. Tot in de vroegmoderne tijd werden thans niet meer bevaren
riviertjes als Roer en Niers voor de scheepvaart gebruikt. Hoofdverkeersader
was de rivier de Maas voor de zuid-noord en de oude Romeinse weg van de
Atlantische kust naar Keulen voor de west-oostverbinding. Waarschijnlijk zijn
plaatsen als Meeswijk, Wessem, Blerick samen met Venlo en Blitterswijk oude
pleisterplaatsen langs de Maas; zij liggen ongeveer dertig kilometer uit
elkaar, gelijk aan een dag varen stroomopwaarts.157 De vondst van een door
Tongerse schippers gesticht altaar voor de godin Viradecdis in Vechten
(Utrecht)158 kan een uitvloeisel van de Maashandel zijn. Maastricht vormde een
centrum met zijn brug over de Maas, een munthuis in de zevende en een
tolkantoor in de tiende eeuw. De invloed van Maastricht is nawijsbaar in Dorestad.159
Wat er over de Maas vervoerd werd, is niet bekend. Op het einde van de zesde eeuw bezong de dichter Venantius Fortunatus (c.
535-na 600) de rivieren Moezel, Aisne en Maas. Van de Maas
zei hij: Aut Mosa dulce sonans, quo BTUS, Banta, anser, oIorque est, Triplice
merceferax (alite, pisce, rate). (De zacht ruisende Maas, waar kraanvogel,
gans, eend en zwaan leven, Draagt drie koopwaren: vogel, vis en vlot).160
Uit deze regels heeft men wel willen afleiden, dat de Maas met haar vlotten een
van de grote scheepvaartroutes van het Merovingische Gallië was. Het rate (vlot) betekent hier echter veeleer
gebundeld hout, een houtvlot,161 wat ook beter past bij vogel en
vis, en niet een vervoermiddel, een 'vlot' als drager van hypothetische
koopwaren.162 In Venantius' tijd vond er een verschuiving van de
handelsroutes plaats. Waar eerst de weg via Rhône en Rijn de hoofdverkeersas
was tussen de Middellandse Zee en het Noorden, begon de handel zich nu via de
Maas te verplaatsen.163 Toen en later zullen over de Maas producten
vervoerd zijn van landbouw en veeteelt en van de messingindustrie in de
plaatsen ten zuiden van Luik; bovendien in de zevende eeuw slaven uit Engeland,
die naar de slavenmarkt in Verdun gingen.164 Rond 1000 richtte de
Maashandel zich op steden als Keulen, Londen en Goslar. De Maassteden vormden
een eigen economisch gebied, geheel los van de Nederlanden Er was weinig
passieve handel; kooplieden van elders kwamen er zelden. De transporten over de
Maas in deze tijd omvatten zink, tin, steen, leisteen en kleiwaren.165
De middeleeuwse betekenis van de rivier de Maas als handelsader is in het
verleden overschat. De Maas zou de as zijn geweest voor de eenheid en
economische voorsprong van het Maasgebied, waar de steden continuïteit kenden
en de Noormannen geen breuk veroorzaakt hadden. De bronnen geven hier geen
aanwijzingen voor; zowel de geschreven als de monetaire bronnen zijn te
summier, terwijl continuïteit van bewoning in Romeinse nederzettingen langs de
Maas tot nu toe slechts is aangetoond voor Maastricht en Huy. Er waren maar
twee plaatsen van belang: Verdun en Maastricht. De Maas heeft nooit die rol
gespeeld die de Rijn had, want de Maas miste de landweg, die de Rijn over zijn
gehele traject begeleidde. Overigens was de rivier tussen Maastricht en de
Zuiderzee voor de handel van groter belang, dan het gedeelte van de rivier ten
zuiden van de stad. Daar volgde het verkeer veeleer de oude Romeinse wegen.166
l57 Blok,
De Franken, 31, steunend op: Linssen, J., Over de vroegste geschiedenis van
Wessem, in: PSHAL 98/99 (1962)121-172.
158 Bechert/Willems,
Romeinse rijksgrens, 81.
159 Ewig,
Die Merovinger, 132.
160 Monumenta
Germaniae Historica, Auctores antiquissimi, IV, 1, 155.
161 Renes,
Landschappen van Maas en Peel, 145: het vervoer over de Maas van hout per vlot
is bekend uit de zestiende tot achttiende eeuw, maar het was waarschijnlijk
veel ouder.
162 Villes et campagnes au moyen age, 231 noot
47 (Devroey/Zoller).
163 Ewig,
Die Merovinger, 176.
164 NAGN,
II, l5I (H.P.H. Jansen). Kaart in: Kleine Atlas, 67.
165 NAGN,
II, 152-154, I57( H.P.H. Jansen). 165.-).Viles et campagnes au moyen age,
223-260.
Dr. P.J.H. Ubachs "Handboek voor de geschiedenis
van Limburg", blz. 68; met dank aan Dominique Clerx, Maasniel.
Aardig in dit artikel voor onze regio is met name de rol van houtvlotten op de Maas; mogelijk dankte Beesel zijn ontstaan gedeeltelijk aan deze houthandel, die tot in de 18e eeuw bleef bestaan.
1075
29 juli 1075
Actum AD. MoLXmoV [!], indictione XIII, anno
episcopatus domni Annonis XVIIIIno Coloniae IIII. Kal. Aug
Erzbischof Anno von Köln,
eingedenk der Tatsache, daß er oft die Aufträge Gottes vernachlässigt habe,
weshalb er der Gottesmutter eine Kirche zu errichten beschloß, wie es schon
sein Vorgänger Hermann im Sinne hatte, als ihm der Tod zuvorkam, stattet diese
Kirche mit folgenden Gütern aus, die schon sein gt. Vorgänger hierfür bestimmt
hatte: Blisna [Bliesheim], Wissa [Vettweiß], Unkelo [Unkel], Heigenbac
[Niederheimbach], Elbeche [Elfgen] und Flamersheim, ferner die von Irmetrudis
im Aachengau (pago Aquensi) erworbenen Güter Valckenburch [Valkenburg], Munzhic
[Montzen], Gymnich, Epeno [Epen] und Wilere [Wijlre] mit allem Zubehör. Er
selbst stiftet die Güter, die er von Königin Richeza und ihren Miterben erwarb
zu Mekkedenheim [Meckenheim], Diemunderode [Demerath], Assela [Asselt],
Clotteno [Klotten] und die Mutterkirche (ecclesia matrix) in Trutmonia
[Dortmund] mit der Dekanie daselbst, Bröche [Brockhausen bei Soest], das Anno
von Sigehardus cancellarius erhalten hatte, und den Zehnten in Saxonia
[Westfalen], den er für die Kleidung der Brüder bestimmt. Was Clotteno
anbelangt, bezeugt Anno ausdrücklich, daß es nicht Bruwilre [Brauweiler] zu
Unrecht weggenommen wurde, sondern daß Richeza einen Vertrag abschloß, in den
Anno später eintrat, nämlich daß die Mönche Kanada [Kaan b. Polch] erhielten,
welches 5 Pfund einbringt, das übrige aber an dasjenige Kloster gehen sollte,
wo Richeza beerdigt würde. Da Anno nun vom Abt von Bruwilre und vom Pfalzgrafen
oft wegen des Verzichtgeldes angegangen wurde, gab er ihnen 8 Arpent (arpenna)
Weinberg in Clotteno und 4 in Sigenel [Senhals] sowie einen goldenen Kelch mit
Gemmen, der dem Dekan Luzo für 30 Mark verpfändet worden war, das Landgut in
Clotteno aber den Kanonikern von Mariengraden. Außerdem gab er dem Propst die
Dekanie mit dem Bann im Zülpichgau (in pago Zulpiaco).
Historisches Archiv der Stadt Köln, Bestand 251: Mariengraden
(Maria ad Gradu), Urkunde 2. Deze akte is op 3-3-2009 verloren gegaan, toen het
stadsarchief van Keulen gedeeltelijk instortte.
1237
juni 1237, z.d. ?
SWALMEN ‑ Geldolfus
van Assele, ridder, ziet ten behoeve van het
Mariaklooster te Ophoven af van zijn rechten op de grote en kleine novaaltienden te
Graten [Graet onder Swalmen], tegen
een rente van 15 malder haver en 10 malder Roermondse maat, te leveren op
St.-Andreasdag.
G. van Bree: Res Gestae II, nr. 246.
1239
augustus 1239
KEULEN - Koenraad van Hochstaden, elect bisschop van Keulen, staat toe
dat de abdij van Brauweiler haar hoeven [mansi] te Swalmen en Burthe verkoopt
aan het kapittel van St.-Victor te Xanten, met alle goederen en
onderhorigheden, zowel in akkers, beemden, broeken, wateren, bossen, mensen als
andere zich waar ook bevindende zaken en met alle rechten of gebruiken.
Ramakers, 100 Eeuwen Swalmen, blz. 105; noemt als bron: P. Weiler, Urkundenbuch des Stiftes Xanten, Bonn 1935, nr. 130 en 131. Vgl. 26-4-1310.
1240
9 oktober 1240
MAASBREE ‑ Theodoricus,
heer van Althena, staat o.a. 1/3 deel van de tiende te
[Maas]Brede en het pastoorschap van de parochiekerk te Brede af.
RHCL Maastricht, Klooster St.-Elisabethsdal te Nunhem, inv.nr. 90, regest nr. 3. Zie 4 mei 1408.
1244
mei 1244, z.d.
"mense maijo"
SWALMEN ‑ Geldolphus,
ridder van Assell, belooft dat hij jaarlijks 10 malder rogge
en 15 malder haver uit de tiende van Grathem [Graet onder Swalmen] zal geven
aan het klooster van Ophoven of Daelheim, en belooft deze tiende niet te zullen
bezwaren zonder toestemming van het klooster.
RHCL Maastricht, Dokumentatie D274: Inventaris van o.a. Bleijenbeek, Brempt, Hillenraad, nr. N 57; depot onbekend (gedeelte verdwenen, vgl. ook Schloß Haag).
31 augustus 1244
ROERMOND ‑ De
voogd van Roermond wordt in een grafelijke oorkonde genoemd als patroon van de
parochiekerk aldaar.
Sloet, Oorkondeboek nr. 647; J. Linssen: Een oorkonde over de tiend van Roermond. In: De Limburgse Leeuw, Jaargang 8 (1960), nr. 6.
2 september 1244
"in dato 2 kal.
septembris 1244"
ROERMOND - Extract uit
een authentieke copie van zekere brief aangaande de erfvoogdij in dato 2 kal.
septembris 1244.
"In super protestarunt ipsos habere protestatem proprios sanctos tenendi vel nostras sanctos concedendi per suos nuntius seu praecones attulendi et ponendi ad Judicium Advocatie totiens quotien ipsi eis indiguerint, sed solummodo ad opus suorum liconum eorundemqss sorrorum seu conditionum coram liconibus obligatis, millorumqss alienorum aut extraneorum".
RHCL Maastricht, Hof van Gelder te Roermond, Gerechtelijke stukken, Port. 375 (1674). Proces door de pachters van de visserij van de erfvoogdij van Roermond tegen de magistraat aldaar. Gecollationeerd afschrift door A. van der Smitzen.
1244
De Bonis in Burthe,
Replere et Sualme.
Henricus dei gracia xanxtensis ecclesie prepositus et Colonien. archidiaconus omnibus presens scriptum inspecturis imperpetuum. Cum iuri et racioni sit consonum ut ea que ex fide aguntur non dampnum sed fructum agentinus offerant, recognoscentes quod quedam porcio bonorum emptorum pecunia recepta de Guntersplumen que olim errant ecclesie Xanctensis debeat de iure cedere speciali comodo capituli Xanctensis propter graues expensas quas fraters ejusdem capituli x. de suo in empcione eorundem bonorum fideliter erogaverunt, alia porcione nre prepositure pro supradictis bonis n guntersplumen relicta assignamus bona in Burthe et in Sualmen et decimas in perrochie de Replere, supradicta pecunia empta, speciali usui capituli imperpetuum. De Honnepule, de Rynare et de Husen bonis prepositure nostre reseruatis. Maxime cum hec eadem bna ad ampliores ascendere reditus dinoscantur, quam sepedicta bona de Guntersplumen alicui nostrorum ualverint precessorum. Datum perisius, anno dni M CC XLIIII dominica proxima post epyphaniam domini.
Anton Joseph Binterim, Joseph Hubert Mooren: Die alte und neue erdiozese Koln in Dekanate eingetheilt oder Das Erzbisthum Köln mit den Stiften, Dekanaten, Pfarreien und Vikarien sammt deren Einkommen und Collatoren wie es war. Mainz, 1830.
Zie ook Ingo Runde: Xanten im frühen und hohen Mittelalter (Keulen, 2003), blz. 457-458: “1222 verkaufte das Stift Wassenberg seinen Hof Obermörmter an das Xantener Stift, welches 1239 neben dem Zehnten in Empel mit Hilfe der Gelder aus dem 1237 erfolgten Verkauf von Guntersblum [bij Worms] auch den Zehnten in Repelen sowie mit Genehmigung des Erzbischofs die zuvor der Abtei Brauweiler gehörigen Höfe Borth und Schwalmen erwarb. Im Jahr 1240 folgte der ebenfalls mit den Guntersblumer Kapital finanzierte Kauf von Gütern in Hönnepel und Husen […].”
1258
3 februari 1258
"apud Vlodorp"
SWALMEN ‑ Henricus, bisschop van Luik, bevestigt de
schenking van de kleine en grote novaaltienden in Graten [onder Swalmen?] door
Godefridus van Assele, ridder, aan het klooster van de
Cisterciënserinnen te Dalheim.
G. van Bree: Res Gestae II, nr. 305.
3 februari 1258
"crastino
purificationis beatea Mariae virginis"
SWALMEN ‑ Bekrachtiging
van de donatie op de tiende van Grathem onder Assel, gedaan door heer
Geldolphus van Asselt, aan het klooster Daelheim.
RHCL Maastricht, Dokumentatie D274: Inventaris van o.a. Bleijenbeek, Brempt, Hillenraad, nr. N 136; depot onbekend (gedeelte verdwenen, vgl. ook Schloß Haag).
1268
september 1268, z.d. ?
ROERMOND ‑ Graaf
Otto van Gelre hecht zijn goedkeuring aan de verkoop van
het patronaatsrecht van de parochiekerk [van Roermond] door de voogd Dirk [III] aan het Munsterklooster van Roermond.
De graaf verklaart tevens dat de tiende met het patronaatsrecht van de kerk te
Roermond ("una cum iure patronatus ecclesia de Ruremunde") door de
voogd van hem in leen werd gehouden.
Sloet, Oorkondeboek nr. 909; J. Linssen: Een oorkonde over de tiend van Roermond. In: De Limburgse Leeuw, Jaargang 8 (1960), nr. 6.
1269
1269, z.d.
WETTEN - Arnold, heer te Ginnich, houdt in leen 200 mark Keulse penningen
uit de goederen te Enne en de hoff te Rade bij Nidegen, te leen gemaakt.
Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 20.
1271
24 augustus 1271
Vermelding van Nicolaus
de Niderhoven, kastelein te Grevenbroich, drost
("dapifer") van de graaf van Kessel.
G. van Bree: Res Gestae II, nr. 355.
Relatie Nederhoeven = Onderste Hof ?
1272
juli 1272, z.d.
VAL-DIEU ‑ Henricus,
graaf van Kessel, geeft zijn officieren en onderdanen te
kennen dat de religieuzen van de abdij van Val-Dieu zijn vrijgesteld van
bepaalde schattingen.
J. Ruwet: Cartulaire de l'Abbaye Cistercienne du Val-Dieu. Brussel, 1955 (exemplaar RHCL Maastricht).
5 september 1272
VENLO ‑ Sigerus
miles de Swalmen en Goswinus heer van Born beslechten in opdracht van de inmiddels
overleden graaf Otto II van Gelre een geschil inzake het vergevingsrecht van
de parochiekerk te Venlo.
Zegel:"SIGILL:
SIGERI: DE BROE-----S".
J. Linssen: Een aantekening over de heren van Swalmen. In: Maasgouw 19.., blz. 60 e.v. Bron: Averbode, oorkonde nr. 286; charter; en: Corpus Sigillorum Neerlandicorum, nr. 1251.
1273
2 mei 1273
Graaf Hendrik van Kessel [de laatste graaf van Kessel] verpandt zijn
burcht Grevenbroich met toebehoren aan de aartsbisschop van Keulen.
Karl L. Mackes: Erkelenzer Börde und Niersquellengebiet, Mönchengladbach 1985, blz. 43.
1274
2 april 1274
Gerlach van Millendonk draagt zijn boerderijen te Jüchen,
Gierath, Priesterath, Gürath, Huzenrode, Kelzenberg, Belmen, Hackhausen,
Schaan, Dürselen, Mürmelen en Waat [?] met al zijn tot de Prumer leengoederen
behorende horigen, wascijnzen, ministrialen en leenlieden over aan
aartsbisschop Engelbert II van Köln in ruil voor 200 mark Keuls en een rente
van 182 mark 10 solidi uit het 1/3 deel van de tol te Neuss.
Karl L. Mackes: Erkelenzer Börde und Niersquellengebiet, Mönchengladbach 1985, blz. 120 (het riddelmatig leengoed Hotzerather‑ of Schlaunshof in Holz); Die Regeste der Erzbischöfe von Köln, III 2543.
26 mei 1274
DALHEM ‑ Johan
van Frankenbergh en Burtscheid, ridder, verklaart dat hij
zijn goederen en allodia te Housse en zijn bezittingen in het graafschap Dalhem
voor 350 Luikse mark heeft verkocht aan de abdij Val-Dieu.
Getuigen o.a. de broers Amelius en Richaldus de Kenswilre.
J. Ruwet: Cartulaire de l'Abbaye Cistercienne du Val-Dieu. Brussel, 1955 (exemplaar R.A.L.M.).
1275
17 augustus 1275
"secto
decimo calendas septembris"
ASSELT ‑ Richter
("index") en schepenen van Roermond en de hele gemeenschap van
Asselt, Swalmen en Beesel enerzijds en richter en schepenen van Wessem,
Beegden, Haelen, Horn, Buggenum en Neer anderzijds leggen op verzoek van
Reynoldus, graaf van Gelre en de edelheer Wilhelmus van Horn een verklaring af over de rechten van
Rutgerus van Assel, ridder, op de "bewijsinghe,
beleydingen, pelinge en reyninge, geheten de Lijnpade van der Masen", die
Rutgerus van de edelheer van Horn in leen houdt.
GA Roermond, Oud Archief, inv.nr. 789; regest nr. 13. Afschrift, 18e eeuw.
17 augustus 1275
"sexto decimo cal.
septembris"
Overeenkomst tussen
richter en schepenen van Roermond, de gemeente van Swalmen en Asselt, en de
gemeente van Besel enerzijds en richter en schepenen van Wessem, Beeghden,
Halen, Horne, Buggenum en Neer anderzijds over het heffen van tol te Asselt
alsmede de visserij op de Maas en de aanwassen aldaar, alsmede de Lingen en het
lijnpad.
RHCL Maastricht, Dokumentatie D274: Inventaris van o.a. Bleijenbeek, Brempt, Hillenraad, nrs. N 12A en 121; depot onbekend (gedeelte verdwenen, vgl. ook Schloß Haag). Afschrift in latijn door notaris G. Daemen.
17 augustus 1275
ASSELT ‑ Stukken
inzake enige lijnpaden en een tol te Asselt.
GA Dordrecht, Archief Gemeene Maashandelaars, archief nr. 115, stuk nr. 543.
Latijn met vertaling (kopie van 25 oktober 1650) en brief d.d. 23 april 1677 van J.H. Wanssum te Roermond aan H.L. de Bruyn.
17 augustus 1275
ASSELT ‑ Gegevens
inzake de vaststelling van de grensscheiding tussen Roermond, Asselt, Swalmen
en Beesel enerzijds, en Wessem, Beegden, Haelen, Horn, Buggenum en Neer
anderzijds, met toestemming van graaf Reinoud [I] van Gelder.
“In nomine domini amen, judex et scabini de Ruremonde, totaque communitas de Assel, de Swalmen et de Beesel ab una parte nec non judex et scabini de Wessem, de Beegde, de Halen, de Horne, de Buggenem et de Nere, ex altera vero parte, universis et singulis, ad quos pntes litera pervenient salutem, et cognoscere veritatem: quoniam status hominis fragilis est, et humana men labilil, cautum est solertia, quatenus ea quae posterius sunt pronuncianda, scripti testimonio roborentur, idesque noverint tam praesentes quam futuri, quod nos nostri cum antiquioribus hominibus ambarum terrarum praedictarum, generaliter mediantibus, voluntate, justu et consensus illustris principis magnifici et potentis domini, domini Reijnoldi comitis Gelriae et Zutphaniae, et nobilis viri domini Wilhelmi de Horne nostrorum, dominorum carissimorum, officiatorumque eorrundem, praecepti inducti eramus moti et coaiti super unam demonstrationem, arconduitionem, palationem et limitationem quae vulgariter dictae sunt bewijsinge, beleijdinge, pelinge ende reijninge, de limite vel via juxta Mosam de Assel, dictam den lijnpade van der Masen, quam limitem seu viam dictam, dominus Rutgerus de Assel miles, a nobili viro domino de Horne tenet in feodo, cum omnibus jus attinentijs et condependentijs , videlicet omni supremo dominio, cum judicio terra et Mosa in ambobus lateribus, atqua ripis Mosa infra limitem vel viam dictam den lijnpad, cum piscatura in Mosa, in ambobus lateribus et ripis, cis at citra Mosam, nec non cum agris et accrescentijs in loco dicto den Tolle pro ut omnia ista jam recitata / in simul ab antiquo jacentia sunt et sita inter locum vel terminum, dictum der Schalen vel der Lingen, supra Assel, et inter dimidium ampnem in Haenssem, inferius infra palos et divisionem infrascriptos, qui limes vel via dicta die Lijnpade seu bona feodalia superius tacta, cum omni supremo dominio et judicis in terra et Mosa, cum thelonio, nec non cum piscatura, antiqua consuetudine, adventione, palatione et distinctione praedictae limitis seu feodi omnibus suis pertinentijs coannexis, sicuti superius partim sunt declarata, et pro ut inferius sufticienter specificabuntur, et ordinatim distinguentur, cum omni et generali concordantia seniorum ambarum terrarum praedictarum, eorum, nostrorumque unanimi assensu et consensu fuerunt, atque sunt circondicta et pertestificata, nec non per eorum, qni nostrorum, juramentor tactis sacrosaratis, demonstratix distinata, specificata, perpalata, palem en notoriae divisa et segregata, et dominus Rutgerus praedictus, suique parentes et antecessores ejusdem praefatum limitem, seu viam jam dictam bena feodalia semper de senio ad senium successive obtinuerunt et possederunt, invexate ab aliquo, sed pacifice et quiete in omni modo et forma juris, sicuti praesens litera inferius seriatim exprimit, elucidat et testatur: primus palus et distinetis praedicta limitis seu feodi, incipit supra Assel in loco dicto der Scalero vel des Lingen palat, specificat et distinguit limitem vel viam dictam den Lijnpat seu feodum in ambobus lateribus et ripis a Mosa, lateque per spatium sexaginta pedalium, super terram, vel tam remote pro ut unus vir stande cum uno pede in litore / Mosae, et cum vomere a ripa super terram posterit projicere, et ita condescendo in ambobus lateribus et ripis praedictae Mosa, usque in dimidium ampnem in Haensem in super est sciendum, quidquid minus juste et excessive in hac limite seu feodi palis et distinctionibus praedictis, super terram et Mosam, cecederit, de homicidis, furto, aut de quibuscumque excessibus, causis, casibus injustis, malitiosis et fore factis a supremo dominis ad infinium pertinendo vel attinendo, hoc idem dominus Rutgerus iudicabit tenquam dominis in palis et distinctionibus praedictae limitis, seu feodi, coram suis fidelibus vel viris homagialibus domini de Horne, ab ipso ad hoc specialiter vocandis et rogandis, discutiet et aequabit: quia dudem vidimus idem dominus Rutgerus inferum Vuthoven, in limite super littus ipsus Mosa, patibulum erigere fecit et suspendit a suffocavit ibi furem captum in palis et distinctionibus praedictae limitis. Ulterius sisuit intranei vel extranei, ad venae, venditoreo, negotiatores, vel naucleri, unde sun taut quo tendunt, vel unde veniunt in hanc limitem vel in palos et distinctionis antedicti Mosa, unus ponens cautionem potex alterius corpus aut bona arrestare, aggravare, calumniari, jus petere et acceptare, alter vero ponens cautionem seu fidejuscionem illico et sine mora, si ipsi plauvrit, posterit et valebet cum judicio ab arrestatione se dissolvere jujustis causis et calumnijs subdolis sibi illatis resistere, justa debita et recta persolvere, contra injustas, iniquas et versutas columnias deiurare, duobus digitis tactis sacrosanctis prout juris est insimilibus fieri, et consuetum: quoniam / idem dominus Rutgerus in hac limite ex suo dominio habet proprios sanctos quos de jure omnibus indigentibus et postulantibus est porrigendus: etiam vidimus in hac limite stantem argastulum cum eculio in quo ponebantur, vinculabantur et conservabantur illi, qui cautelam nec fideijussores non habebant, cum quibus causus queremonias, excessus et sua forefacta poterant federare seu certiorare. Praeterea omnia bona qui per hanc limitem vel palos terminos ante dictos, in vel extra naves veluntur vel moventur per gurgitem Mosa ascendentia vel descendentia, prout jus et mos est, vel fuit ab antique thelonisantur et si preveherentur non thelonisando, omnia bona perderentur, et si in hac limite aliquae naves enerosae evacuarentur, deonerarentur, aut alique bona egerentur seu si vacuae naves implerentur et onerarentur vel aliqua bona ingererentur, prius a theloniaris petendum ut licentiam, dando ei qua drantem de onerando, dictum eijnen Lichtveerlinc, sed onerando dictum eijnen Ladeveerlinc, sin autem quis faceret illicit de quinque marcis cecideret in excessum. Insuper si in terminis hujus limitis aliqua bona in vel extra naves velierentur et per ventum magnum ac impetuosum, aut per auram turbulentam et intemperatam in fluitibis et undis jactarentur, itaque nautae tunerent, seu desperarent naufragari, max clamare poterunt et valebunt magnis vocibus: theloniariae, tene quadrantem ponendo ipsum super proram navis vel eiisciendo super terraro, et deonerarem eiscere, evacuare et se defendere in quantum poterunt et valebunt sine aliquo excessu aut malae / captione, sed tacendo, non clamando et vacuando, aut per infortunim improvisibiliter submergendo, cadent in excessum quinque marcarum. Ulterius sciendum est, quod piscatura in Mosa utroque littore et ripa, us et citra incipit, procedit et terminat in istuis limitis sui feodi palis, distinctionibus et circonductionibus praedictis, in quo dominus Rutgerus, suique haeredes, aut istuis limitis seu feodi conservator, aut familae, vel alius nomine eorundem, cum omnibus instrumentis lagenis aut rethibus mediantibus quibus piscari poterit pisces, valebit seu valebunt capere, loco temporibusque requisitis, sui opportunis, in illis latere et ripa Mosa versus Assel, vel versus terram de Horne, super campum, in utroque litore eiusdem Mosa, cum suis rethibus et sagenis, ex vel eas immitendo, ducendo et extrahendo toties quoties indiqurunt, et ipsis visum fuerit expedire, etiamsi infra palos, limites et distinctions antedictos ab illa parte lateris Mosa supra littus ipsuis terra versus Assel vel versus terram de Horne, lingnorum aliquae accrescentiae creverint, fuerint et orirentur ultra modum, piscatores eorundem injicientes aut injecturis, attrahentes aut attracturos sua rethia et sagenas, intra vel extra Mosam, pro piscibus capiendis, impediendo hac hi abiicere poterunt, evellere et detroncare, in tanta multitudine et quantitate, sicuti ipsi vel ipsis ad hoc fuerit necessarium,atque opus, quorumlibet, contradictione non obstante. Insuper omnes medij ampnes vel accrementa, qui vel quae accreverunt in praesenti aut advenerint per modum accrescentiae in futurum infra gurgitem / Mosa, hos et haec idem dominus Rutgerus suique haeredes, aut conservator praedicti feodi seu eorum familia poterunt perpalare, distinguere et specificare, perplantare cum arboribus emunire, perstipare et persepire ad omnia eorum commode, beneplacita, atque velle, illosque illa aqualiter feodo praetacto, tanquam sua propria bona, possidendo. Etiam si iam dictae accrescentiae infra gurgitum praedictum ortae et pullulatae, integraliter et indivisum acciderunt latere ab illa parte Mosa, versus Assel vel versus terram de Horne, has et quidquid his accreverit et annexunt fuerit versus Mosam et per accrementum inclinatum, dominus Rutgerus praedictus aut sui haeredes possidebunt, sicuti feodum praedictum, et obtinebunt. Praeterea omnia accrementa, qui vel quae accreverunt in praesenti, aut advenerint per modum accrescentiae in future terra arabili, jacenti in loco dicto den Toll, ab illa parte Mosae versus terram de Horne, vel ab illa parte Mosa versus Assel, has et hoc idem dominus Rutgerus suique haeredes aut jam dicti feodi conservator seu eorum familia, poterit perpalare, perplantare cum arboribus, emunire et persepire, ad omnia eorum commode atque velle, illos, quam illa aequaliter feodo praetacto tanquam sua propria bona possidendo. Insuper est sciendum, quod si aliqui excessus, casus vel forefactae perpetrati, seu perpetrate in istuis limitis seu feodi palis et distinctionibus praedictis ceciderunt, quos vel quae idem dominus Rutgerus non poterit judicare nec exequi, tunc dominus de / Horne, tanquam suis feodarius erit ejus adjutor, judex et executor, illos excessus, casus et forefacta judicando, et si ille nequiverit, ex tunc comes Lossensis, tanquam suus feudarius, erit quo adjutor, judex et excuitor, illos excessus, casus, et forefacta judicandi, et si ille nequierit, ex tune comes Lossen, tanquam sumnus feodominus erit ejus adintor, judex et executor, illos casus et forefacta exequendi, et judicandi. Haec extant demonstrationes, circonductiones, palationes, limitationes, discussions, distinctions, nec non probationes ab antique hucusque comprobata, declarata, manifestata, singulatim distinctae et specificatae, nec non jus hujus limitis et feodi praedicti, quos et quod a nostris antecessoribus vidimus semper audivimus, et intelleximus nostris juramentis, tactis sacrosanctis, istud veraciter, et pro vero protestantes, quod dominus Rutgerus praedictus, suique praedecessores, successive de senio ad senium hanc saepedictam limitem dictam den Lijnpat, seu feodum obtinuerunt et possederunt, omnibus modis, et forma praeordinatis en caplicatis. In testimonium veritatis omnium praemissorum, ex jussi, assensu, et consensus duorum nostrorum carissimorum praedictorum, es rumdemque officiatorum, nos judices et scabini de Roremondae et de Wessem, nostra siggila pro nobis, et nostris praesentibus literis duximus appendenda, et nos Wilhelmus dominus de Horne et de Altena ob majorem certitudinem atque cautelam pramissorum omnium et singulorum , rogavimus et rogamus illustrum prini..m domini Arnoldum comitem de Los et de Ceijneij summum nostrum feodominum de limite et feodo praedicto et magnificum ac potentem nobilem virum dominum Reijnoldum comitem Geldriae, dominos nostros dilectos, ut ipsi omnibus circonductionibus / palationibus, limitationibus, conditionibus ac demonstrationibus superius lucide expression, consensum adhibeant, et nihilominus testimonium perhibeant veritati, in omnibus et singulis praemissis, nec non per sua transfixa pntes literas roborent et conferment ut autun praemissa vata premaneant et inconvulsa, et ad habendum memoriam rei gestae presens scriptum sigilli nostril appensione una cum sigillis praedictorum scabinorum communivimus, datum et actum anno dominica incarnationis millesimo ducentesimo septuagesimo quinto, sexton decimo kalendr septembris.
Hinc instrument adjunct sunt duo transfixa pendentibus sigillis, quorum prius sic habet.
Univensis presentis literas inspecturis, Arnoldus comes Lossensis et Cynalensis salute in domini noveritis, quod nos omnes demonstrationes, circonductiones, palationes, specificationis et conditionis in literis praesentinus, quibus nostra presents literae sunt affixae, contentas, factas, et ordinatas, ratas habemus et firmas, ac eis nostrum impertimus assensum, et eas tanquam rite factas, per nostrum transfixum pro nobis et nostris, in perpetuum confirmamus in quorum omnium praemissorum evidens robur, et testimonium nostrum sigillum, datum anno incarnationis dominica millisimo ducentesimo septuagesimo quinto, sexto decimo kalendr septembris.
Alterum autem transfixum in haec verba
protenditour.
Nos Reijnoldus comes Gerlrensis salutem et omne conuni / noveritis quod nobis placet et de nostro procedit consensus, voluntate et assensu, ut omnes demonstrationes, circonductiones, distinctiones, specificationes et conditiones presenti literae, cui praesens nostra litera est appenda infringatae perpetuae maneant in omni suo robore illaesae consistant, et vigore, prout inibi particularitur, susticenterque declarantur, et ipsas tanquam ritefactas, qtum in nobis est, per nostrum transfixum pro nobis et nostris, confirmamus, in cujus rei testimonium presents literas fecimus sigilli nostril munimine roborari, datum anno domini millesimo ducentesimo septuagesimo quinto, sextodecimo kalend septembris.
Praesent copia demonstrationum, circonductionum, distinctionum, specificaionum et conditionum exscripta ex suo originali et cum eodem collationata, concordat de verbo ad verbum idque tam ipsus instrumenti principalis, quam transfixorum inibi mentionatorum, quibus in unoversum quinque apponsa sunt siggila, duo viridis coloris, duo mixti, et alterum rubric, quod ego infrasignatus manu propria attestor, hac quinta mensis januarij xvjc vigesimo secundo.
Infra habebatur
Ita testor
signatum Jo. Oliverius in Richello et pastor immeritus, notarius aplicus per copiam
Inferius erat
Franciscus Sirout notarius per consilium Brabantiae admissus, praescriptam cop. iterato colla. testor ut praefertur cum originali concordare sigillis que munitam esse, eodem die, mense et anno.”
Schloss Haag: inv.nr. 4159; verfilming 30/56 t/m 40/56. Afschrift op papier d.d. 5 januari 1622.
Een minder goed leesbaar afschrift van deze akte uit 1608 (z.d.) in verfilming 41/56 t/m 47/56, door de licentiaat Henricus Woestingh en secretaris Johan Borman. Het originele charter bevond zich toen in het archief van Horn, de zegels worden beschreven als (v.l.n.r.) Arnoldus graaf van Looz, Reijnoldus graaf van Gelre, Wilhelmus heer van Horne, de civitas Roermond en de civitas Wessem.
In verfilming 49/56 tm 56/56 nog een verdere kopie, z.d. (18e eeuws handschrift).
In dit inventarisnummer verder een proces met decreet d.d. 16-2-1726 (zie aldaar).
Volgens inventaris 16 september; dit is onjuist.
1275, z.d. (17 augustus?)
ASSELT ‑ Diverse
stukken betreffende de grensscheiding [van o.a. Swalmen en Asselt].
Schloss Haag: inv.nr. 247
1275 (17 augustus; er staat foutief september)
ASSELT - Inzake Lijnpad
en visserij te Asselt, genaamd De Tolle.
RHCL Maastricht, 01.063: Graven, Staten, adelijke leenzaal en gerecht van Horn. Inv.nr. 10. Afschrift XVII en 2 transfix-afschriften; met dank aan M. Dings.
16 september 1275
Zie 17 augustus 1275.
1276
16 juni 1276
ELMPT ‑ Theodoricus
de Brempth, ridder, oorkondt dat hij aan Reynaldus,
graaf van Gelria, zijn deel en het deel van zijn kinderen in
het woud van Elmpt verkocht heeft. Ghyselbertus, broer van de oorkonder, en de broers
Amilius en Rycandus van Kenswilre, ridders, staan voor de
koop garant. Bij niet-nakoming zullen de gezworenen van de stad Wassenberg
daarover beslissen.
G. van Bree: Regesten van akten betreffende Roermond en omgeving 858-1574, nr. 215; = Van Doorninck: Akten betreffende Gelre en Zutphen 1107-1415 (Haarlem 1908), blz. 402-403.
29 augustus 1276
HERVE ‑ Walram
IV, hertog van Limbourg, zijn dochter Ermengarde en Renaud, graaf van Gelder, zijn schoonzoon,
verklaren dat zij het Hervibois, allodium gelegen nabij Herve, hebben verkocht
aan de abdij Val-Dieu.
Getuigen o.a. Richaldus en Amelius de Kesserwilh [Kenswilre], broers.
J. Ruwet: Cartulaire de l'Abbaye Cistercienne du Val-Dieu. Brussel, 1955 (exemplaar RHCL Maastricht).
1277
7 april 1277
KESSEL / GREVENBROICH -
Hendrik V van Kessel treedt toe tot het verbond tegen Siegfried
van Westerburg, aartsbisschop van Keulen [die als
winnaar uit de strijd komt. De bisschop sluit hierna afzonderlijke verdragen af
met zijn tegenstanders].
Karl L. Mackes: Erkelenzer Börde und Niersquellengebiet, Mönchengladbach 1985, blz. 44.
1279
4 februari 1279
KESSEL / GREVENBROICH -
Hendrik van Kessel onderwerpt zich aan de aartsbisschop van
Keulen. Als boetedoening en als schadevergoeding verklaart hij zijn burcht
Grevenbroich opnieuw leenroerig aan Keulen.
Karl L. Mackes: Erkelenzer Börde und Niersquellengebiet, Mönchengladbach 1985, blz. 44.
27 september 1279
KESSEL / GREVENBROICH -
Hendrik V van Kessel verkoopt de burcht en het graafschap Kessel
alsmede zijn leengoederen voor zover deze tussen de Maas en Gladbach zijn
gelegen, aan graaf Reinald van Geldern.
Karl L. Mackes: Erkelenzer Börde und Niersquellengebiet, Mönchengladbach 1985, blz. 44.
27 oktober 1279
KESSEL ‑ Reinald,
graaf van Gelre, benoemt Godefridus Berch tot kastelein van zijn kasteel te
Kessel.
M. Flokstra: De Middeleeuwse burchtheren van Kessel 1279-1542. In: Castellogica 1989-1, blz. 65-80; RHCL Maastricht, Magazijnlijst van de archivalia van de heren van Kessel uit de families Van Merwijck en De Keverbergh, inv.nr. 256.
27 oktober 1279
KESSEL ‑ Godefridus
Berch, 'Castellanus in castro de Kessel', bevestigt dat hij en zijn twee [niet
met name genoemde] zonen door Reinald, graaf van Gelre, is benoemd tot
kastelein van het kasteel te Kessel. Godefridus ontvangt voor zijn diensten een
jaarlijkse vergoeding van 30 Keulse marken, te weten 20 mark uit de tol te
Kessel en 10 mark uit de beden. Deze 30 mark zijn aflosbaar met een som van 300
marken.
M. Flokstra: De Middeleeuwse burchtheren van Kessel 1279-1542. In: Castellogica 1989-1, blz. 65-80; RA Gelderland, Hertogelijk Archief, inv.nr. 25 Waardenburgse kroniek, folio 35 verso.
29 november 1279
ST.-ODILIËNBERG ‑ Katherina, weduwe van Gerardus van Utwike, militis, haar zonen Godefridus, Winmaris, Gerardus en Theodoricus en haar dochter Megtildis schenken aan het altaar van de H. Maria
Magdalena te St.-Odiliënberg een jaarlijkse rente in natura uit hun goederen
aldaar gelegen.
De akte bevat tevens twee
schenkingen van andere personen en wordt mede bezegeld door Godefridus, deken van Aken, Gerardus van Karken en Dirk [IV], voogd van Roermond.
M. Willemsen: Oorkonden en bescheiden aangaande de kerk en het kapittel van St.-Odiliënberg. In: Publications etc XXIII (1886), blz. 176; J. Linssen: Mette van Utwike, Vrouwe van Beeck. In: de Maasgouw 1954 blz. 1-10.
Zie 22 juli 1365.
1282
18 juni 1282
Ermgard, dochter van
Walram IV [hertog van Limburg] en gehuwd met Reinald I [graaf van Gelre], wordt
door de koning van Duitsland beleend met het hertogdom Limburg.
M. Flokstra: De Middeleeuwse burchtheren van Kessel 1279-1542. In: Castellogica 1989-1, blz. 65-80; Sloet: Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutphen, Den Haag 1872-1876, oorkonde nrs. 1053-1056; RA Gelderland, Hertogelijk archief, Charters uit München teruggekeerd, nrs. 24-28.
Na haar dood in juni 1283 verkreeg Reinald haar bezittingen in vruchtgebruik, maar hierover ontstond tussen de naburige landheren grote onenigheid.
1285
1285, z.d.
Overleden: graaf Heinrich
V van Kessel. Zijn weduwe, gravin Lysa, hertrouwt in 1286 Dirk Loef van Kleve.
Karl L. Mackes: Erkelenzer Börde und Niersquellengebiet, Mönchengladbach 1985, blz. 44.
1286
12 maart 1286
GREVENBROICH ‑ Dirk
Luf wordt door de aartsbisschop van Keulen beleend
met de burcht Grevenbroich, die zijn vrouw Lisa van Kessel als vruchtgebruikster voor het leven bezit.
Knipping: Die Regesten der Erbzbischöfe von Köln II, nr. 3088. Vergelijk 18-3-1286.
18 maart 1286
GREVENBROICH ‑ Dirk
Luf wordt door de aartsbisschop van Keulen beleend
met de burcht Grevenbroich, die zijn vrouw Lisa van Kessel als vruchtgebruikster voor het leven bezit.
Karl L. Mackes: Erkelenzer Börde und Niersquellengebiet, Mönchengladbach 1985, blz. 44; van dezelfde schrijver: Die Grafen von Kessel und die Entstehung des Amtes Brüggen, in: Heimatbuch 1979 des Kreises Viersen, blz. 87-109.
Vergelijk 12-3-1286.
mei 1286, z.d.
Reinald, graaf van Gelre
[en weduwnaar van Ermgard hertogin van Limburg], hertrouwt met Margaretha,
dochter van de graaf van Vlaanderen.
Godefridus, kastelein te
Kessel, treedt op als borg bij de opstelling van de huwelijkse voorwaarden. Hij
zegelt met een schild beladen met twee gekruiste pelgrimsstaven waartussen vier
harten of plompebladeren.
M. Flokstra: De Middeleeuwse burchtheren van Kessel 1279-1542. In: Castellogica 1989-1, blz. 65-80; Rijssel, Archives départementales du Nord, B405 nr. 2732; ARA Brussel, Charters Namen, nr. 191; Sloet Oorkondenboek nr. 1101; J. Kleintjes: Limburgs jaarboek 27 (1921), blz. 12-27.
4 juli 1286
NAMEN ‑ Rogier
van Assele; Voskin van Zwalmen; Johan van Kessel en Mathias van Kessel, knapen; e.a., verklaren dat Reinald, graaf
van Gelre, volgens Gelders recht grafelijke inkomsten van Venlo, Kriekenbeek,
Bremt, Kessel en Rode [Venray] verbonden heeft voor de huwelijksgift voor zijn
echtgenote Margaretha van Vlaanderen.
M. Flokstra: De Middeleeuwse burchtheren van Kessel 1279-1542. In: Castellogica 1989-1, blz. 65-80; G. van Bree: Res Gestae II, regest nr. 404; RA Gent, Charters van de graven van Vlaanderen, Fonds De Saint‑Genois, nr. 412, Vidimus 16 augustus 1297 van de deken van St.‑Albaan te Namen; Sloet Oorkondenboek nr. 1109.
31 oktober 1286
Jan, heer van Cuyck,
verklaart dat noch hij noch de hertog van Brabant vijandelijkheden zullen
plegen in het land van Kessel met wat daartoe behoort, noch in de 'eigenheit
van Rode' [Venray], welk gebied eigendom is van de graaf van Gelre.
M. Flokstra: De Middeleeuwse burchtheren van Kessel 1279-1542. In: Castellogica 1989-1, blz. 65-80; RA Gelderland, Hertogelijk Archief, charter verzameling nr. 54; Nijhoff: Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Arnhem 1830, Deel 1 oorkonde nr. 3.
1288
17 januari 1288
Rutger, heer van
Tymsse(!) en drost van graaf Reinald I van Gelder, verklaart dat voor hem en de
laatbank van Leuth verschenen zijn Rembold (of Reinoud), heer van Tegelen en diens echtgenote Gertrudis. Deze verklaren te verkopen voor 46 mark en 6 schellingen Keulse
munt aan de abdis en het klooster van Gravendal, de voogdij van de kerk te
Leuth met de mannen en verder toebehoor.
Getuigen: Hendrik deken
van landdekenaat Leuth, edelheer Dirk van Burne, Hendrik van Kriekenbeek en Gerardus de Offenbeke, ridders; Willem, zoon van ridder Willem
van Tegelen, en Sibert, zoon van ridder Hendrik van Kriekenbeek voornoemd.
R. Scholten: Das Cistercienserinnen-Kloster Grafenthal oder Vallis comitus zu Asperden im Kreise Kleve (Veröffentlichungen des Historischen Vereins für Geldern und Umgegend, 85) (Geldern, 1984; nadruk van Kleve, 1899), p. 66 (kopie) Urk. 51; met dank aan M. Dings.
Zie ook G. van Bree: Res Gestae II, nr. 412.
5 juni 1288
Na de Slag bij Woeringen
treft Walram van Kessel met de overwinnaars uit die strijd, graaf
Walram van Gulik en hertog Jan III van Brabant een overeenkomst. Walram van Kessel, die
de bezittingen van zijn broer Hendrik heeft overgenomen, die met een zodanige
schuld zijn belast dat hij ze onmogelijk kan behouden, krijgt van de graaf van
Gulik voor zijn leven lang het slot Hengebach en de inkomsten die daaruit
voortvloeien. In ruil daarvoor zullen na zijn dood al zijn bezittingen aan
Gulik vallen.
P. Geuskens: Gelderse ministrialen in dienst van Gulik in de eerste helft van de veertiende eeuw. In: Maasgouw 97 (1978), blz. 164-172; Mirbach: Beiträge zur Geschichte der Grafen von Jülich. Z.A.G.V. 12, 1890, blz. 213 en 214. Zie 24-12-1289.
12 juni 1288
Reinald van Gelre
verliest de Slag bij Wörringen.
M. Flokstra: De Middeleeuwse burchtheren van Kessel 1279-1542. In: Castellogica 1989-1, blz. 65-80.
1289
15 oktober 1289
Reinald van Gelre, bij de
Slag bij Wörringen gevangen genomen door de hertog van Brabant, doet afstand
van zijn rechten op het hertogdom Limburg.
M. Flokstra: De Middeleeuwse burchtheren van Kessel 1279-1542. In: Castellogica 1989-1, blz. 65-80.
24 december 1289
BRÜGGEN ‑ Walram
van Kessel draagt de burcht en zijn allodiale goederen
te Brüggen met het akkerland en de molen in leen op aan hertog Jan III van Brabant.
P. Geuskens:
Gelderse ministrialen in dienst van Gulik in de eerste helft van de veertiende
eeuw. In: Maasgouw 97 (1978), blz. 164-172; F.C. Butkens: Trophées tant
sacrées que profances du Duché de Brabant, I. 1724, 325. Zie 5-6-1288.
1290
1290, z.d. ?
Reinald, graaf van Gelre,
ziet zich wegens zijn schuldenlast ten gevolge van de [verloren] Slag bij
Wörringen genoodzaakt de graafschappen Gelre, Zutphen en Kessel voor de duur
van vijf jaar te verpanden aan zijn schoonvader Gwijde, graaf van Vlaanderen.
M. Flokstra: De Middeleeuwse burchtheren van Kessel 1279-1542. In: Castellogica 1989-1, blz. 65-80; G.H.A. Venner, Die Grafschaft Geldern vor und nach Wörringen, in: Der Name der Freiheit 1288-1988, Köln 1988, blz. 251-265.
1294
1294-1295
... item
apud Sualmen 50 (pullos)
item apud
Besel 44 (pullos) ...
... item
apud Besel 8 maldra avene cum sextario
item apud Sualmen 11
maldra ...
... item apud Besel,
Bremith et Erkelent de forefactis 25 m 3 ob ...
Tevens vermelding van
Gerardus van Offenbeck, onder-rentmeester van Venlo.
Dr. L.S. Meihuizen: De Rekeningen betreffende het
Graafschap Gelre 1294-1295. Uitgave 'Gelre'.
1295
21 mei 1295
"in vigilia Penthecostes anno Domini millesimo ducentesimo
nonagesimo quinto”
De officiaal van het hof
van Luik verklaart vonnis te hebben gewezen in het geschil tussen het kapittel
van Sint Servaas te Maastricht enerzijds en Willem, heer van Horn, anderzijds.
Het kapittel beweerde dat het dorp Weert, de hoge en lage rechtspraak, de
benoeming en ontslag van meier en schepenen, wier hoofd de hof van Vlijtingen
is, de inning van de helft van de tienden, de inbezitstelling van goederen, het
banrecht, twee molens, te weten een windmolen en een watermolen te Tungelroy
aan hem toebehoren en dat de heer van Horn inbreuk op deze rechten heeft
gepleegd en onder andere gemene gronden uitgeeft en cijnzen vordert.
Willem, heer van Horn betoogde dat deze rechten hem toebehoren. Voorheen kende
Weert drie heren, te weten de graaf van Mark, de heer van Altena en ridder
Henricus de Assele. Willem van Horn, de vader van de gedaagde, erfde het
aandeel van de heer van Altena, kocht het aandeel van de graaf van Mark en
ruilde met Johannes, zoon van Henricus de Assele, het derde gedeelte tegen de
hof te Leveroy.
De officiaal stelt bij vonnis het kapittel van Sint Servaas in het gelijk.
01.004 Hof van Gelder te Roermond, tevens Leenhof van het Overkwartier, inv.nr 786. Eenvoudig afschrift op papier.
1296
1296, z.d.
KESSEL / BRÜGGEN - Walram
van Kessel, domproost te Münster, erfgenaam van het
graafschap Kessel, ziet af van zijn geestelijk ambt, neemt de heerlijkheden
Brüggen en Grevenbroich over en huwt in datzelfde jaar Katharina van Kleve, dochter uit het eerste huwelijk van [zijn
zwager] Dirk Luf van Kleve.
Karl L. Mackes: Erkelenzer Börde und Niersquellengebiet, Mönchengladbach 1985, blz. 44. Zie 20-10-1304.
1298
17 april 1298
BUREN ‑ Otto,
ridder van Buren, en zijn zoon Alardus verbeuren hun kasteel te Buren aan
Reynald, graaf van Gelria, waarna zij het als leen terugontvangen.
ARA Den Haag, codenr. inv. 1.08.02: Nassause Domeinraad inv.
Drossaers II, inv.nr. 363; regest nr. 19.
1299
1299, z.d.
“Dat sij cont al den
ghenen, die desen brieff selen sien ende horen, dat Katerina van Cranendonc
gheeft ende geven sal, die wijle dat sij leeft, drie pont Lovensche cleiner
pennigge den joncvrouwen den nonnen te Keyserbosch, dertich schillinge van
mijns heren jaergetide mijns haren Enghelbrechts van Cranendonck; ende van
mijns heren mijns haren Willems van Cranendonck dertich schillinge erfleke, te
Swalmen t’ontvanc; ende al de ghene, die dat goet na der vrowen van Cranendonc
hebben ende houden selen, si solen’t oak gheven, alsoo als’t mijn here mijn
hare Willem gaf vore minen heren mijnen haren Engelbrechte, sinen vader,
dertich schillinge Lovensche ende vor Katerina, de vrouwe van Cranendonc, heeft
gegheven voor hen beiden. Dit gelt gheeft men den joncvrouwen onder hen
gemeinlike te pitantien te halven meie op Sente Servaesdach ende dit moghen de
erfgenoten quiten alse si willen ende lantrecht is. Dese brief wert gegheven in
jaer ons heren mº ccº ende neghentech.
Accordirt mytt denn
originaell van worde te worde, gelick ist befonden doir mi Joh. Spe, not.
publ.”
Tijdschrift voor Noordbrabantsche geschiedenis, taal- en letterkunde, Jrg. 3, 1885-1886 (16 juli 1885), kolom 3.
1299, z.d.
WETTEN - 'Hermanno [van
Yssem?] Henrici Caroli et Hermanno, eiusdem Hermanni filio', houdt in leen het
Huys te Honselair.
Sloet: Register op de Leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Arnhem, 1904. Blz. 18. Zie 1424, z.d.
EINDE